Arbeidsrecht Actueel
De onderstaande artikelen zijn geplaatst onder verantwoordelijkheid van Kantoor Mr. van Zijl advocaten te Tilburg.
Is de burn-out een gevolg van zwangerschap en/of bevalling, zodat recht op Ziektewetuitkering bestaat?
Een werkneemster meldt zich met terugwerkende kracht bij het UWV ziek en vraagt daarbij een Ziektewetuitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Het UWV beslist dat de werkneemster pas vanaf de datum van de melding arbeidsongeschikt is en dat de arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling, zodat geen recht bestaat op Ziektewetuitkering. De werkneemster maakt daartegen tevergeefs bezwaar en stapt daarna naar de rechtbank. De rechtbank vindt dat de beslissing van het UWV geen stand kan houden. De eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft het UWV weliswaar juist vastgesteld, maar het UWV heeft ten onrechte gesteld dat de arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit zwangerschap of bevalling. Of de werkneemster alsnog recht heeft op Ziektewetuitkering hangt af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden. Daarover moet het UWV opnieuw beslissen. Een werkneemster meldt zich op 17 november 2023 bij het UWV met terugwerkende kracht tot 14 augustus 2023 ziek vanwege een burn-out. Zij vindt dat haar burn-out het gevolg is van zwangerschap of bevalling en claimt daarom een Ziektewetuitkering wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling. Het UWV besluit dat de werkneemster per 14 augustus 2023 niet arbeidsongeschikt is te achten voor haar eigen werk. Ook komt het UWV tot de conclusie dat de werkneemster per 17 november 2023 wel arbeidsongeschikt is te achten, maar dat die arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap of bevalling. Daarom bestaat geen recht op Ziektewetuitkering. Het door de werkneemster tegen dat besluit gemaakte bezwaar wordt door het UWV ongegrond verklaard. De werkneemster stelt vervolgens beroep in bij de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de werkneemster per 14 augustus 2023 niet arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk. De rechtbank overweegt daarbij dat de werkneemster destijds weliswaar belemmeringen ervoer in het uitvoeren van haar werk, maar dat dat niet hoeft te betekenen dat zij ook arbeidsongeschikt was voor haar werk. De rechtbank wijst er in navolging van de bezwaarverzekeringsarts van het UWV op dat de werkneemster zelf heeft verklaard dat zij met haar collega’s een manier had gevonden om met haar belemmeringen om te gaan. Volgens de rechtbank is gebleken dat haar belemmeringen uiteindelijk pas op 17 november 2023 dusdanig waren toegenomen, dat ook hulpmiddelen de werkneemster niet meer hielpen om haar werk te kunnen verrichten. De rechtbank wijst er verder op dat objectieve, medische informatie over de situatie van de werkneemster op 14 augustus 2023 ontbreekt en dat aan de door de werkgever verstrekte verklaring geen doorslaggevende betekenis toekomt. Ook vindt de rechtbank van belang dat de werkneemster pas op 5 oktober 2023 met haar burn-out klachten naar de huisarts is gegaan. De rechtbank overweegt dat het exacte moment waarop sprake was van een burn-out, op basis van de voorhanden zijnde stukken moeilijk is vast te stellen. De huisarts heeft de diagnose burn-out op 5 oktober 2023 gesteld. De rechtbank vindt dat de bezwaarverzekeringsarts van het UWV echter voldoende heeft gemotiveerd dat er niet eerder dan op 17 november 2023 sprake was van een burn-out, omdat de werknemer pas vanaf 17 november 2023 niet meer in staat bleek te zijn om adequaat te functioneren, zowel in de thuissituatie als in het werk. De rechtbank vindt dat de werkneemster onvoldoende twijfel heeft gezaaid ten aanzien van dat oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank is wel van oordeel dat het UWV ten onrechte heeft geoordeeld dat de ongeschiktheid van de werkneemster per 17 november 2023 niet voortkomt uit zwangerschap of bevalling. De rechtbank kan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de burn-out niet zou zijn ontstaan tijdens de zwangerschap of bevalling niet volgen, omdat de werkneemster al tijdens haar zwangerschap fysieke en mentale klachten had en omdat niet kan worden uitgesloten dat deze klachten hebben bijgedragen aan het ontstaan van de burn-out. De vraag of de werkneemster alsnog recht heeft op Ziektewetuitkering wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling, hangt af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering. De rechtbank draagt het UWV op om daarover alsnog te beslissen. ...lees verder.
Werknemer moet door werkgever betaalde opleidingskosten terugbetalen
Een detacheringsbedrijf had de kosten van de opleiding tot vrachtwagenchauffeur voor een werkneemster betaald en had daaraan de voorwaarde verbonden dat deze kosten moesten worden terugbetaald, als de werkneemster zich niet via het detacheringsbedrijf liet uitzenden naar klanten van het detacheringsbedrijf. Het studiekostenbeding dat aldus was gesloten, was volgens de kantonrechter rechtsgeldig omdat het niet ging om een opleiding die noodzakelijk was voor de uitoefening van de functie, maar om een startkwalificatie. Een bedrijf dat zich bezighoudt met het detacheren van werknemers op het gebied van transport en logistiek, heeft met een vrouw een overeenkomst gesloten, waarbij is overeengekomen dat de vrouw een opleiding zal gaan volgen voor vrachtwagenchauffeur en dat het detacheringsbedrijf de kosten van de opleiding zal betalen. Dat gebeurt op basis van een leningsovereenkomst, waarbij de vrouw in beginsel verplicht wordt om de opleidingskosten terug te betalen. De opleidingskosten worden echter kwijtgescholden zodra de vrouw 52 weken via het detacheringsbedrijf heeft gewerkt en/of op deze wijze 52 weken € 25 netto per week heeft terugbetaald. Daarna wordt een eventuele restschuld kwijtgescholden. De kosten van extra lessen en/of herexamens blijven echter voor rekening van de vrouw. Als het detacheringsbedrijf geen uitzendovereenkomst aan de vrouw kan aanbieden en de wekelijkse inhouding van het bedrag van € 25 netto om die reden niet kan plaatsvinden, vervalt de terugbetalingsverplichting. Op basis van die overeenkomst start de vrouw met de opleiding tot vrachtwagenchauffeur. De kosten van de opleiding bedragen € 6.925, die door het detacheringsbedrijf worden voorgeschoten. Na drie herexamens en extra lessen wordt de opleiding door de vrouw uiteindelijk met succes afgerond. De vrouw wordt daarna door het detacheringsbedrijf bij een klant (PostNL) gedetacheerd, maar na ongeveer twee weken wordt de detachering in overleg met de werkneemster beëindigd, omdat zij het werk te zwaar vindt. Nadat het deteacheringsbedrijf meerdere functies voor vrachtwagenchauffeur bij verschillende opdrachtgevers aan de werkneemster heeft aangeboden, komt ruim twee maanden later een detachering tot stand bij een andere klant (AB Texel). Ook die detachering wordt na ongeveer twee weken stopgezet, op initiatief van de werkneemster. Vijf maanden later gaat de werkneemster een meeloopdag toen bij een derde klant (Heidelberg). De werkneemster vindt het werk echter niet passend. Daarop stuurt het detacheringsbedrijf een factuur voor een bedrag van bijna € 6.400 aan de werkneemster. Het gaat dan om de resterende opleidingskosten en de kosten van de herexamens. Als de werkneemster tegen de factuur protesteert, geeft het detacheringsbedrijf de werkneemster nog een kans om aan haar verplichtingen te voldoen, door één van twee aangeboden functies voor vrachtwagenchauffeur te accepteren. De werkneemster accepteert de functies echter niet. Als de werkneemster de factuur niet betaalt, komt het tot een procedure bij de kantonrechter. De kantonrechter oordeelt allereerst dat geen sprake is van een nietig studiekostenbeding. De reden daarvan is dat het gaat om een startkwalificatie, terwijl nergens uit blijkt dat het detacheringsbedrijf op grond van Europees recht, nationaal recht of op grond van de cao verplicht was om de opleiding kosteloos aan de werkneemster aan te bieden. Het verweer van de werkneemster dat zij de financiële risico's van de opleidingsovereenkomst niet goed kon voorzien, omdat zij niet wist hoeveel zij zou gaan werken en omdat bij de aanvang van de opleidingsovereenkomst de totale opleidingskosten nog niet bekend waren, wordt door de kantonrechter gepasseerd. De totale kosten waren alleen nog niet bekend omdat er sprake was van extra kosten als gevolg van herexamens en extra rijlessen. Die kosten konden vooraf niet bekend zijn. De werkneemster verweert zich met de stelling dat zij voorafgaand aan de opleidingsovereenkomst heeft besproken dat zij geen fysiek zwaar werk wil verrichten en alleen chauffeurswerk wil doen, zonder laden en lossen. In verband met haar geringe lengte (1,61 meter) en haar leeftijd (59 jaar) zou het werk anders fysiek te zwaar zijn voor haar. Het detacheringsbedrijf heeft echter gemotiveerd weersproken dat zou zijn besproken of afgesproken dat zij geen fysiek zwaar werk zou hoeven te doen en heeft daaraan toegevoegd dat vacatures voor vrachtwagenchauffeurs zonder laden en lossen zeldzaam zijn. Bij gebreke van een nadere onderbouwing door de werkneemster, passeert de kantonrechter deze stelling. De kantonrechter constateert bovendien dat de werkneemster verschillende redenen heeft aangevoerd om met het aangeboden werk te stoppen, welke redenen niet alleen betrekking hadden op de zwaarte van het werk. Het werk bij PostNL vond de werkneemster weliswaar te zwaar omdat zij zware ijzeren karren moest verplaatsen, maar het werk bij AB Texel vond de werkneemster niet leuk genoeg omdat zij daarbij een groot deel van de dag in de fabriek moest werken en daarna maar 20 minuten hoefde te rijden. En het werk bij Heidelberg wilde de werkneemster niet doen omdat ze meerdere keren per dag een heel steile trapje op moest klimmen om de betonmixer, waar zij op moest rijden, schoon te spuiten, wat volgens haar voor haar “niet te doen” was. De kantonrechter stelt tenslotte vast dat de werkneemster nooit heeft aangegeven dat zij medisch beperkt is en zich ook nooit ziek heeft gemeld, zodat er voor het detacheringsbedrijf ook geen reden was om de bedrijfsarts in te schakelen. Het verweer van de werkneemster dat de in de opleidingsovereenkomst verplicht gestelde medische keuring niet zou hebben plaatsgevonden, wordt door de kantonrechter verworpen vanwege de stelling van het detacheringsbedrijf dat de cursist bij aanvang van de opleiding over een gezondheidsverklaring moet beschikken, waarin wordt bevestigd dat de cursist in een medische keuring rijgeschikt is verklaard. Zonder die verklaring kan de cursus niet worden gestart en kan er geen rijexamen worden gedaan. De werkneemster voert ook nog als verweer dat zij niet voldoende is geïnformeerd over verplichtingen die op grond van de cao gelden bij het niet accepteren van aangeboden werk, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij, onder meer vanwege de laatste kans die het detacheringsbedrijf de werkneemster nog heeft geboden. Ook het laatste verweer van de werkneemster wordt door de kantonrechter verworpen. De werkneemster had aangevoerd dat haar financiële situatie aan terugbetaling van de opleidingskosten in de weg staat. De kantonrechter wijst er echter op dat het detacheringsbedrijf aan de werkneemster had aangeboden bereid te zijn een betalingsregeling te treffen. De werkneemster moet daarom de opleidingskosten terugbetalen. Zij wordt ook veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. ...lees verder.
Ontslag op staande voet wegens werkzaamheden tijdens ziekte
Een werkgever ontslaat een werknemer op staande voet, nadat gebleken is dat de werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid in een café-restaurant werkzaamheden verrichtte achter de bar. De kantonrechter oordeelt dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, een schadevergoeding en de proceskosten. In ons commentaar gaan wij in op de vraag wanneer een ontslag op staande voet wegens werkzaamheden tijdens ziekte wel rechtsgeldig kan zijn. Bij een handel in bouwmaterialen is sinds augustus 2020 een magazijnmedewerker in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenregeling is bepaald dat de werknemer tijdens ziekte geen arbeid mag verrichten, behalve wanneer dat in het belang van zijn gezondheid is voorgeschreven of wanneer hij hiervoor toestemming heeft gekregen van de arbodienst. De werknemer is sinds 5 maart 2025 arbeidsongeschikt. Vanaf 7 mei 2025 mag hij op advies van de bedrijfsarts re-integratiewerkzaamheden gaan verrichten. Op 28 juli 2025 wordt de werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij op 19 juli 2025, tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, in een café-restaurant werkzaamheden verrichtte acht de bar. De werknemer staat onder bewind. Zijn bewindvoerders verzoeken de kantonrechter voor recht te verklaren dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt en zij verzoeken de kantonrechter om de werkgever te veroordelen een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding te betalen, met de rente over deze vergoedingen. Daarnaast verzoeken de bewindvoerders de werkgever te veroordelen tot een schadevergoeding ter hoogte van de vóór de procedure gemaakte juridische kosten te betalen, alsmede tot betaling van de proceskosten. De kantonrechter stelt vast dat uit de verklaring van de werknemer blijkt dat hij in verband met de drukbezochte, jaarlijkse Visserijdagen en vanwege zijn goede band met de eigenaar van het café-restaurant, op vrijwillige basis en zonder tegenprestatie, enkele uren heeft bijgesprongen in het café-restaurant en dat hij in dat kader enkel lege glazen heeft opgehaald en een aantal biertjes heeft getapt. De kantonrechter overweegt daarbij dat de werkgever niet heeft gesteld en dat verder ook niet is gebleken dat de werknemer op de bewuste avond meer of andere werkzaamheden in het café-restaurant heeft verricht. De kantonrechter overweegt voorts dat in de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenregeling weliswaar is bepaald dat de werknemer tijdens ziekte – uitzonderingen daargelaten - geen arbeid mocht verrichten, maar dat daarin niet is toegelicht wat onder het begrip arbeid moet worden verstaan. Bovendien maakt het bijspringen van de werknemer in het café-restaurant in ieder geval niet dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk wetboek. De stelling van de werkgever dat de werkzaamheden de werknemer energie kostten doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Het had in de gegeven omstandigheden op de weg van de werkgever gelegen om de bedrijfsarts te laten beoordelen of de werkzaamheden in het café-restaurant voor de werknemer zodanig belastend waren dat zijn re-integratie daardoor belemmerd werd. Bovendien, zelfs als vast zou staan dat de werknemer met het uitvoeren van de bewuste nevenactiviteiten zijn re-integratie belemmerde, of zich niet aan re- integratievoorschriften hield, had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van de werkgever gelegen om eerst een minder vergaande sanctie toe te passen in de vorm van een loonstop. Omdat de werknemer ziek was, de werkgever niet eerst een onderzoek door de bedrijfsarts heeft laten verrichten naar de impact van de werkzaamheden én de werkgever niet eerst een minder vergaande sanctie heeft toegepast, is de kantonrechter van oordeel dat de handelwijze van de werknemer geen dringende reden voor een ontslag op staande voet opleverde. Daarbij wordt door de kantonrechter ook meegewogen dat het hier om een eenmalig incident gaat, het geen concurrerende werkzaamheden betrof en dat de werknemer er ook niet voor betaald kreeg. De door de bewindvoerders verzochte verklaring voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst van de werknemer door de werkgever geen dringende reden ten grondslag ligt, wordt daarom toegewezen. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van de transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Ten aanzien van de billijke vergoeding overweegt de kantonrechter dat een vergoeding van afgerond € 10.000,- passend is te achten. Hierbij weegt hij mee dat als het onterechte ontslag van 28 juli 2025 zou worden weggedacht, de arbeidsrelatie sowieso al in aanzienlijke mate verstoord was, een lange en vruchtbare samenwerking er dus niet meer in zat en een eventueel ontbindingsverzoek van de werkgever ertoe zou leiden dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2026 zou zijn ontbonden. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding heeft de werkgever daarnaast meegewogen dat er enige afschrikwekkende werking voor de werkgever van uit mag gaan. Tot slot moet de werkgever de vóór de procedure gemaakte juridische kosten en de proceskosten betalen. ...lees verder.
Werknemer verblijft in Portugal. (Terechte) loonstop wegens niet naar Nederland komen voor (medische) controle?
In een vonnis van de kantonrechter Amsterdam stond de vraag centraal of een werkgever van een arbeidsongeschikte werknemer mocht verlangen dat hij op verzoek van de bedrijfsarts naar Nederland kwam om zijn arbeids(on)geschiktheid te laten beoordelen. De werknemer verbleef in Portugal. Toen hij niet naar Nederland kwam, paste de werkgever een loonstop toe. De kantonrechter oordeelde dat die loonstop terecht was. Hoewel de beslissing van de kantonrechter goed te begrijpen is, als naar de feiten van de zaak wordt gekeken, moeten toch vraagtekens bij de beslissing worden geplaatst. In ons commentaar gaan we in op de Europese wetgeving die in deze zaak een rol speelt. Een werknemer was op 21 december 2023 naar Portugal gereisd vanwege een familiaire aangelegenheid: de hond van de werknemer, die bij zijn moeder verbleef, lag op sterven en kon niet langer door zijn moeder worden verzorgd. Nadat de hond was overleden, meldde de werknemer zich op 25 december 2023 ziek. Op 28 december 2023 stuurde hij een Portugese doktersverklaring aan zijn werkgever, waarin stond dat de werknemer ziek was. De Portugese arts verklaarde daarbij ook: “Gezien de situatie moet hij momenteel reizen vermijden.” De werknemer zelf liet weten dat hij in Portugal een therapietraject van een maand was gestart. Op 23 januari 2024 vond een digitaal spreekuur plaats met de bedrijfsarts in Nederland. De bedrijfsarts noteerde dat een onderzoek nodig was dat niet digitaal kon worden uitgevoerd. Na de behandeling van een maand in Portugal zou de werknemer naar Nederland moeten komen voor behandeling. Op de vraag of sprake was van een reisbeperking antwoordde de bedrijfsarts: “nee”. Ook noteerde hij: “De voorwaarde voor ziekteverzuim is dat betrokkene in Nederland zijn behandeling volgt.” Daarna vroeg de werknemer tot tweemaal toe om een second opinion door een andere bedrijfsarts, maar die verzoeken werden door de arbodienst afgewezen. Ook een verzoek om begeleiding door een andere bedrijfsarts werd afgewezen. Vervolgens ontstond discussie over een afspraak bij de bedrijfsarts in februari 2024. De werknemer verscheen niet op het consult van 20 februari 2024, maar stelde dat hem de verkeerde datum was doorgegeven en dat de afspraak eigenlijk op 21 februari zou plaatsvinden. In zijn e-mail schreef hij zelfs: “I was prepared to come to the in person appointment on the 21st.” De werkgever bood later excuses aan voor de verwarring over de datum. Op 27 februari 2024 vond alsnog een digitaal consult plaats. Ook toen bleef de bedrijfsarts bij zijn eerdere oordeel. Volgens de bedrijfsarts is er duidelijk een probleem maar is de vraag of er ook sprake is van ziekte. In de rapportage staat: “I cannot assess problem digitally” en ook: “The person concerned does not have a travel restriction.” De werknemer bleef daarna desondanks in Portugal. Later beriep hij zich ook nog op klachten na een motorongeluk in april 2024, maar daarin zag de kantonrechter geen voldoende onderbouwde reisbeperking. In een brief van 21 maart 2024 deelt de werkgever aan de werknemer mede dat de loonbetaling wordt stopgezet. Dat leidt tot een procedure bij de kantonrechter, waarin de werknemer betaling van het loon vordert. De kantonrechter volgt echter de werkgever. De rechter overweegt dat in Nederland de bedrijfsarts degene is die moet vaststellen of een werknemer in staat is passende werkzaamheden te verrichten en dat de werkgever bij de inrichting van de re-integratie op dat oordeel mag afgaan. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat het afreizen naar Nederland in deze zaak nodig was voor de re-integratie en dat “het voorschrift van de werkgever daarom gepast en niet onredelijk is.” Daarbij woog mee dat de bedrijfsarts herhaaldelijk had geoordeeld dat geen reisbeperking bestond, dat de Portugese medische stukken volgens de kantonrechter te weinig concreet waren en dat de werknemer zelf had geschreven dat hij bereid was geweest om naar Nederland te komen. De conclusie luidde daarom dat de werknemer zonder deugdelijke grond het voorschrift niet had opgevolgd en dat de loonstop terecht was. ...lees verder.
Wie is aansprakelijk voor een onrechtmatig besluit inzake een Ziektewetuitkering: het UWV of de eigenrisicodrager?
Aan een werknemer is met ingang van 16 februari 2009 een WW-uitkering toegekend. Ruim een jaar later besluit het UWV om per diezelfde datum een Ziektewetuitkering aan de werknemer toe te kennen. De oorspronkelijk toegekende WW-uitkering moet daarmee dan zijn vervallen. Het gevolg daarvan is dat de Ziektewetuitkering behoort tot het risico van de werkgever die op dat moment eigenrisicodrager voor de Ziektewet was. De eigenrisicodrager meldt de ex-werknemer vervolgens per 23 augustus 2010 hersteld. Het UWV besluit dan op 24 augustus 2010 dat de Ziektewetuitkering per 23 augustus 2010 wordt beëindigd. Tegen dat besluit maakt de ex-werknemer geen bezwaar. Meer dan tien jaar (!) later, op 1 februari 2021, vraagt de ex-werknemer het UWV om terug te komen van dat besluit. Vervolgens besluit het UWV op 10 december 2021 dat de werknemer met ingang van 10 februari 2020 recht heeft op een IVA-uitkering. De ex-werknemer stelt schade te hebben geleden door dit besluit van het UWV, aangezien hij door de nabetaling van de IVA-uitkering over de periode van 10 februari 2020 tot 1 januari 2022 meer inkomstenbelasting heeft moeten betalen, recht had op een lager bedrag aan huur-en zorgtoeslag en bijstand aan de gemeente heeft moeten terugbetalen, dit vanwege een ontvangen erfenis en wettelijke rente. In 2024 wijst het UWV een verzoek van de ex-werknemer om schadevergoeding af. Volgens het UWV is het besluit van 24 augustus 2010 wel onrechtmatig, omdat het UWV is teruggekomen van de eerdere hersteldmelding, maar is het UWV daarvoor niet aansprakelijk omdat de uitvoering van de Ziektewet, inclusief de verzuimbegeleiding en de medische controle, de verantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager was. De ex-werknemer is in de periode van oktober 2010 tot januari 2021 niet bij het UWV in beeld geweest. Daarop verzoekt de ex-werknemer de rechtbank om schadevergoeding aan hem toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat de onrechtmatigheid van het besluit van 24 augustus 2010 niet in geschil is. Maar de rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat het onrechtmatige besluit niet is terug te voeren tot handelen of nalaten van het UWV, maar van de eigenrisicodrager. Fouten bij de besluitvorming komen daardoor volgens de rechtbank niet voor rekening van het UWV. Voor zover de geleden schade het rechtstreekse en onmiddellijke gevolg zijn van het ten onrechte beëindigen van de Ziektewetuitkering per 23 augustus 2010, is dat volgens de rechtbank niet het gevolg van het besluit van het UWV van 24 augustus 2010. ...lees verder.

